Vrijheid, gelijkheid en broederschap: ook voor de vrouw?  

  Een essay door

Jaël Hooghuis, 

Studente aan de Rijksuniversiteit Groningen,

Maart 2003

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inhoudsopgave                                                                     

 

 

Inleiding                                                                                                                     2

 

1. De maatschappelijke positie van de vrouw in de Franse Revolutie      

1.1  De apolitieke natuur van de vrouw                                             3

1.2  Vooroordelen en generalisaties                                                        5

 

2. De rol van de vrouw in de Franse Revolutie                                          

2.1 Een ‘grote’ vrouwenrol                                                                                           6

2.2 Een beperkte publieke rol                                                                                          8

 

Conclusie                                                                                                                   9

 

Literatuur                                                                                                                   10

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inleiding

 

In september 1791 publiceerde Olympe de Gouges (1748-1793) haar Déclaration des droits de la femme et de la citoyenne. Deze verklaring van de rechten voor de vrouw was een alternatief voor de Déclaration des droits de l’homme (1789). Nu elke man het volwaardig burgerschap had gekregen, wilden ook de vrouwen dit recht krijgen. Er had vanaf de bestorming van de Bastille op 14 juli 1789 een politieke omwenteling plaatsgevonden. Frankrijk had geen absolute monarchie meer, maar een republiek waarin de rechten en plichten van de Franse burger op schrift was vastgelegd.             Olympe de Gouges kaartte echter aan, dat een groot deel van de bevolking nog geen burgerrechten had. Niet alleen het mannelijke deel van de burgerlijke stand, maar ook het vrouwelijke deel behoorde van de revolutie te profiteren. Het was de vraag of de populaire politiek issues van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap ook voor de vrouw mocht gelden, want emancipatie betekent letterlijk gelijkheid voor de wet of in andere zin vrijheid.

            Ik wilde meer kanten van de Revolutie bestuderen dan alleen de rol van de regering en de positie van de mannelijke onderdanen. Het is niet mogelijk om een totaalbeeld van deze stormachtige tijd te krijgen als ik de andere helft van de bevolking er niet bij zou betrekken. Daarom richtte ik me op de positie en de rol van de vrouw ten tijde van de Franse Revolutie. Voordat ik me echt verdiept had in de literatuur, had ik het idee dat ten tijde van de Revolutie er een belangrijke stap in de richting van vrouwenemancipatie was gezet. De Revolutie had immers als doel de breuk met de oude kerkelijke en aristocratische hiërarchie te bewerkstelligen. Na me enigszins verdiept te hebben in dit thema, verliet ik deze gedachte. Ik kwam in de geraadpleegde literatuur het woord vrouwenemancipatie - of een synoniem daarvan- zeer weinig tegen. Hierbij wil ik niet gelijk ontkennen dat de revolutie in Frankrijk een begin was. Maar in de tweede helft van de negentiende eeuw werd vrouwenemancipatie een politiek vraagstuk. Ik begreep dat ik mijn onderzoeksvraag vanuit een andere invalshoek moest stellen. Beter zou ik kunnen onderzoeken waarom vrouwen ook tijdens de Revolutie werden geacht een bescheiden rol en positie in de ‘nieuwe samenleving’ te spelen. Kortom, waarom werd de emancipatie van de vrouw tijdens de Franse Revolutie nog niet gerealiseerd?

Aan de hand van de twee historische werken uit zeer uiteenlopende periodes zal ik antwoord proberen te geven op deze vraag. Het betreft Les femmes de la Révolution (1954) van de romantische geschiedschrijver Jules Michelet  en Women and the limits of citizenship in the French Revolution (1989) van Olwen H. Hufton.

Er bestaan drie feministische invalshoeken om de vrouwengeschiedenis te bestuderen. Deze zijn gelijkheid, verschil en deconstrucitie.[1] Michelet heeft met deze officiële methodes nooit kennis gemaakt. Hij was een algemeen historicus.  Ook Hufton koos echter niet duidelijk één methode. Haar sociale interpretatie van de geschiedenis zou aanduiden op een nadruk in het streven van de vrouw naar maatschappelijke gelijkheid. Toch heeft de analyse van de verschillende rol en positie de nadruk in haar werk gekregen. Ze heeft de aparte maatschappelijke rol van de vrouw tijdens de Franse Revolutie juist geaccentueerd.

De Fransman Jules Michelet was één van de eerste historici die het thema vrouw en Franse revolutie uitwerkte. Ongeveer een halve eeuw na het revolutionaire tijdperk (1789-1795) schreef hij zijn Les femmes de la Révolution. Net zoals zijn tijdgenoten Jean Jaurès en Ranke was hij een traditioneel historicus. De geschiedwetenschap stond in zijn tijd nog in de kinderschoenen. Er bestonden nog geen vrouwenstudies. De grote 'mannen' kregen bijzonder veel aandacht van Michelet. Hij creëerde een historie bestaande uit enkele heldinnen uit de elitaire klasse. Dat hij een overtuigd republikein was, komt in zijn werk sterk naar voren.

Bijna anderhalve eeuw na de publicatie van Les femmes de la Révolution leverde de historica Olwen H. Hufton het werk Women and the limits of Citizenship in the French Revolution. Hufton was bijzonder geïnteresseerd in de positie van de arbeidersvrouw. Deze auteur was duidelijk beïnvloed door de marxistische en sociale cultuurinterpretatie. De marxistische cultuurhistorici wezen als eerste historische school op de gebreken van de traditionele geschiedschrijving. De sociale interpretatie uit de twintigste eeuw juist bepaalde aspecten zoals de ontwikkeling van de massa en de arbeidersklasse naar voren te halen. De proletarische vrouw blijft ook in Women and the limits of Citizenship in the French Revolution en het meerdelige The prospect for her (1994) de meeste aandacht krijgen.

Ten eerste zal ik deze twee visies over de maatschappelijke positie van de vrouw behandelen. Welke maatschappelijke functie en rang had de Franse vrouw tijdens de Revolutie? Wat werd er aan gedaan om deze positie te verbeteren en had dit kans van slagen? Ten tweede zal ik de rol van de vrouw tijdens de Revolutie onderzoeken. Handelden de vrouwen naar hun bestaande functie en positie of schoten vrouwen uit hun rol? Was het openbaar optreden van de vrouw gelijk aan de rol van de man of was er verschil? Deze historiografische analyse van de positie en de rol van de vrouw draagt bij aan de beantwoording op de vraag waarom de emancipatie van de vrouw tijdens de Franse Revolutie nog niet werd gerealiseerd.

 

 

1.     De maatschappelijk positie van de vrouw in de Franse Revolutie

 

1.1 De apolitiek natuur van de vrouw

 

De Franse verlichtingsfilosoof Jean-Jacques Rousseau was een autoriteit op het gebied van het bepalen van het nieuwe sociale leven. Hij had een duidelijke visie over de positie van de Franse vrouw. Zo vond Rousseau het beslist geen negatieve ontwikkeling dat een vrouw intellectueel kon zijn. Het was zelf een ideaal voor de vrouw dat ook zij haar klassieken kende, zolang de vrouw thuis haar moederfunctie bleef vervullen. Michelet nam deze visie van Rousseau over en projecteerde deze in de discussie over de maatschappelijke positie van de vrouw. Hij beschreef continu in zijn Les femmes de la Révolution Francaise vrouwen als Plutargische heldinnen en verheerlijkte hiermee de deugdzame, geestelijk ontplooide, vreedzame vrouw. [2]

Moest de vrouw voor de wet gelijkgesteld worden aan de man? De aanhangers van Rousseau zagen het nut van deze gelijkstelling niet in. Ook Robespierre was een fervent aanhanger van Rousseau en was het met deze filosoof eens dat de vrouw moest terugkeren naar haar moedertaak. Het opvoeden van kinderen die bereid waren te sterven voor het vaderland, was nu eenmaal de hoogste loyaliteitdaad van de vrouw aan de staat. Hij vond het maar niets dat sinds de oprichting van de Nationale Vergadering er ook vrouwen op de publieke tribune zaten. Om de vrouwen voorgoed uit de publieke sfeer te halen, verliet Robespierre eens demonstratief de publiekstribune van de Nationale Vergadering. Hij verzocht alle aanwezige vrouwen zijn voorbeeld te volgen.[3] Alleen tijdens happenings ter ere van de Revolutie mochten vrouwen zich openbaar manifesteren. In deze happenings werd de moedertaak en de jonge maagd verheerlijkt. In die functie kwam volgens hem de vrouw goed tot zijn recht.  Michelet benadrukte dat vrouwen die protesteerde tegen de immobiliteit van hun positie zelfs genadeloos door Robespierre werden gestraft.

Aan de hand van een korte levensbeschrijving over een aantal mondige vrouwen probeerde Michelet uit te leggen hoe gevaarlijk en onzinnig het was voor de vrouw om verbetering van haar maatschappelijke positie te eisen. Zo publiceerde bijvoorbeeld de actrice Olympe de Gouges veel essays omtrent de rol van de vrouw in de revolutie. Ze was van mening dat de vrouw ook politieke inspraak mocht krijgen. Ze deelde de mening met de beroemde verlichtingsfilosoof Jean-Jacques Rousseau geenszins. Rousseau ging immers uit van een structureel verschil tussen man en vrouw. De publicatie van de rechten van de vrouw in 1791 van De Gouges maakte duidelijk dat ze het deze ongelijkwaardigheid niet mee eens was. Haar beroemde uitspraak luidde dat als de vrouw het recht kreeg het schavot te betreden, ze ook het recht had een volwaardig staatsburger te worden.  Haar alternatieve verklaring van de rechten van de vrouw was een verzoek aan koningin Marie-Antoinette om zich in te zetten voor de emancipatie van de vrouw, maar dit streven strafte de Conventie zwaar af. De Gouges trad op het schavot als straf voor haar te hoge gelijkheidseisen voor de vrouw.[4]

Michelet suggereerde eigenlijk dat het lot van De Gouges als bepleiter voor meer gelijkheid tussen man en vrouw een onvermijdelijk lot was. De Jacobijnse regering wilde de vrouw geen burgerrecht toekennen, omdat ze de vrouwen niet vertrouwden als trouwe dienaren van het vaderland. Vrouwen zouden veel te irrationeel en te conservatief zijn als het er op aan kwam. Bovendien was de vrouw nu eenmaal een ‘apolitiek’ wezen.[5]

De ondergang van De Gouges bracht Michelet in het kader van de val van de Girondijnse regering. In 1792 was deze Girondijnse macht op haar hoogtepunt. De Girondijnen wilden de vrouw uit de politiek houden, maar de moederrol van de vrouw mocht openlijk verheerlijkt en vereerd worden.[6] Toch ontwikkelde zich een nieuwe houding ten opzichte van de vrouw. Een voorbeeld van vernieuwing was dat minister Binnenlandse Zaken, Necker, zich openbaar met echtgenote en dochter vertoonde.

Michelet probeerde de nieuwe houding ten aanzien van de vrouw vanuit de Girondijnse factie te kunnen aantonen door het voorstel van de filosoof Cordoncet. Deze invloedrijke filosoof geloofde dat de vrouw doormiddel van educatie het ‘kerkelijk juk’ van zich af kon schudden en daarna voorstander van de republiek zou kunnen worden. Had zij dit eenmaal gedaan, dan pas was ze het waard om volledige burgerrechten te ontvangen. Op 3 juli 1790 verzocht hij om die reden in zijn essay Essai sur l’admission des femmes au droit de cité de vrouw ook burgerrecht te geven. [7]

            Volgens Michelet hoefde de educatie van de vrouw niet perse ten voordele van de Republiek te zijn. De intellectuele vrouw gebruikte ook haar verworven kennis om haar kinderen op te zetten tegen de Republiek. Hoe onmachtig haar positie in de openbare sfeer ook leek, binnen het gezin kon de vrouw de Republiek maken of breken. Als de moeder haar zoon kon opvoeden tot een goed soldaat voor het vaderland, dan lag het ook in haar macht verzet tegen de Republiek de kweken. Haar positie binnen het gezin gebruikte de vrouw dus in de Contra-Revolutie. De rationele man zou binnenshuis alleen hebben gestaan tegen zijn irrationele vrouw. De vrouw was door haar irrationele aard en emotionele, sentimentele karakter meegesleept in de Contra-Revolutie.

 

1.2  Vooroordelen en generalisaties

 

Individuele pogingen tot het verbeteren van de wettelijke positie van de vrouw, vond Hufton minder belangrijk. Ze wilde niet zoals Michelet van haar werk een soort ‘grote vrouwengeschiedenis’ schrijven. Ze weigerde een vrouw zoals Olympe de Gouges als een tragische heldin af te schilderen, want De Gouges stond namelijk niet symbool voor de onderdrukte positie van alle vrouwen. Zo representeerde ze niet de talloze arbeidsvrouwen. Binnen deze klasse was er noch politieke, noch economische verbetering van de sociale positie gedurende de Revolutie. Michelet had deze vrouwen nauwelijks betrokken in zijn werk. Als hij ze al besprak, dan was dat zeer generaliserend. De positie van de plattelandsvrouw bracht hij zeer beknopt naar voren, terwijl hij na bestudering van de sociale verhoudingen aldaar, wellicht tot andere conclusies was gekomen. Michelet bleef dus  focussen op de salonvrouw.

            De scherpte van Huftons kritiek lag meer ten aanzien van de niet objectieve benadering van de vrouw. Doormiddel van vooroordelen over de vrouw, die ontstaan waren ten tijde van de Revolutie, probeerde Michelet te verklaren waarom de postitie van de vrouw niet verbeterde. Hufton stelde dat juist deze praatjes over de zogenaamde irrationaliteit en confessionaliteit van de vrouw, de vrouwenemancipatie  in de weg was gaan staan. Michelet nam dus dit toenmalige heersende vrouwenbeeld klakkeloos over. Aan het eind van de negentiende eeuw begonnen vrouwen uiteindelijk deze mythe te doorbreken. Bovendien deed Michelet geen moeite om zijn pro-republikeinse houding te verbergen. Zo was de tegenstelling conservatieve vrouw versus de progressieve, rationele man duidelijk politieke en seksistisch getint.

Hufton zette zich af met een andere uitleg waarom de positie van de vrouw niet verbeterde tijdens de Franse Revolutie. De zwakte en de onmacht van de positie van de vrouw lagen volgens haar aan de ondergang van het clubleven. In het eerste uur van de Revolutie hadden de vrouwen zich net zoals de mannen verenigd in zogenoemde clubs. (Dat er al een scheiding was tussen mannen en vrouwenclubs waren, kenmerkte de status aparte van de vrouw.) De belangrijkste club was de Club des Citoyennes Républicaines Révolutionaires. Deze club was iets minder slecht georganiseerd dan de rest. De meeste clubs waren single-issue bewegingen zoals de verenigde Marchandes, Dévotes en Enragés. Deze drie verenigingen hadden alleen economische acties. Club des Citoyennes Républicaines Révolutionaires was politieker.  Over het algemeen was de club niet te vergelijken met de elitaire salon. Maar ook de clubs waren verdeeld in klassen. Zo waren er clubs waar eigenlijk alleen de vrouwen uit de middenklasse naar toe gingen.

Hierin was de grote verdeeldheid al te zien. De Jacobijnse factie trok de arbeidersvrouw veel meer aan dan een club met politiek pratende vrouwen. Deze radicalen beloofden de vrouwen uit de economische misère te redden en de allerarmste vrouwen via overheidsgelden te ondersteunen. Zo stelden de Jacobijnen de maximumprijs in om de koopster te beschermen tegen al te hoge marktprijzen. De vrouwen waren hier uiterst tevreden mee. Verscheidene subsidieregelingen leken aanvankelijk ook zeer sociaal over te komen. De materiële verbetering voor de arbeidsvrouw bleek op dat moment belangrijker dan vrouwenemancipatie.[8]

Eenmaal de macht gevestigd, besloot Robespierre de macht van de Clubbistes te breken. Vrouwenclubs werden in zijn ogen veel te machtig en kwamen met te hoge eisen. Robespierre moedigde de Clubbistes aan om zich aan te sluiten bij de minder gestructureerde Enragés. Vervolgens stelde hij dat voedselrellen nu met de ingevoerde maximumprijzen overbodig waren geworden. Bovendien hadden deze rellen een ongunstige uitwerking op het gehele marktwezen. Onder het bewind van de Conventie hieven de clubs zich op. Met welk een gemak deze opheffing was verlopen, was te wijten aan de impopulariteit van de clubs en de tevredenheid over de maximumprijs van de Enragés en Marchandes.[9] Een derde en vrij recent historische argument was de interne verdeeldheid van de vrouwenclubs. Ook binnen de clubs was de factiestrijd tussen radicalen en gematigden duidelijk aanwezig.[10]

Hufton wees de lezer op de ernst van dit moment. Nu de georganiseerde vrouw er niet meer was, was ook een stuk openbare macht verdwenen. Ongeveer een eeuw later zouden de suffragettes uiteindelijk de draad weer oppakken. 

 

 

2.De rol van de vrouw in de Franse Revolutie

 

2.1 Een ‘grote’ vrouwenrol

 

Dat de revolutie een stormachtige periode was, konden de straten van Parijs wel vertellen. Ontevredenen van met het standenbewind gingen massaal de straat op om hun sociale en politiek geaarde klachten ten gehore te brengen. De staten waren ook getuige van het aantal vrouwen dat meeliep in de woedende menigte. De bekendste (vrouwen)manifestatie was de tocht naar Versailles op 6 oktober 1789. Hoewel Michelet  weinig aandacht schonk aan de minder gegoede vrouw van de straat, beschreef hij deze tocht naar Versailles uitvoering. Terwijl bij de bestorming van de Bastille op 14 juli 1789 slechts één vrouw aanwezig was, waren op 6 oktober de vrouwen in de meerderheid.[11] Hij analyseerde de felheid, de passie voor de idealen van de Revolutie onder de vrouwen. Dikwijls waren het de vrouwen die de eerste stap zetten om middels een rel met de restanten van het Ancien Régime te breken.[12] Militairen  probeerden de vrouwen tegen te houden. Dreiging van geweldpleging  schrok de vrouwen echter niet af. In hun ogen hadden ze namelijk weinig te verliezen. Bovendien schroomden de soldaten ervoor op een menigte ongewapende vrouwen in te slaan. Ze beseften heel goed, dat als ze dat zouden doen, ze de echtgenoten over zich heen zouden krijgen. Tenslotte stonden er ongeveer 8000 mannen en vrouwen voor de poorten van het paleizencomplex.[13]

Michelet beschouwde deze actie als een enorme moedige prestatie van de vrouwen. Het gevolg van deze vrouwenactie was namelijk dat de koning naar Parijs was gekomen na een langdurige periode van plezierjachten en hoffeesten. Michelet opperde trots dat de mannen weliswaar de Bastille hadden ingenomen, maar dat de vrouwen de koning in handen hadden gekregen.[14] Hierbij kende Michelet de vrouw een gelijkwaardige rol toe, maar toen de vrouwen in meer ‘mannenactiviteiten’ wilden participeren, hield dit gelijkheidsdenken op  Aan de hand van het verzoek van Madame Théroigne de Méringcourt de vrouw een rol te geven in de burgerwacht van Parijs, wilde Michelet aantonen dat vrouwen ongeschikt waren voor dergelijke diensten voor de staat. Théroinge stelde aan de Vergadering voor om van deze vrouwen speciale militaire eenheden op te richten ter bescherming van de stad en de Revolutie. Ze was van mening dat vrouwen evenzeer als hun mannen bereid waren te strijden voor de Revolutie. De achterliggende gedachte van dit verzoek was dat als vrouwen nu eenmaal het recht kregen om wapens te dragen en in de strijd voor het vaderland te sneuvelen, ze vast ook het burgerrecht verdienden. Het voorstel werd afgeslagen, want het revolutionaire bewind twijfelde er sterk aan of de vrouw daadwerkelijk bereid was om alles op te geven omwille van de Republiek. Vrouwen zouden veel te irrationeel en te conservatief zijn als het er op aan kwam.[15] Desondanks richtte de Belgische ex-zangeres een legioen van Amazones op. [16] Madame de Théroigne had duidelijk politieke ambities. Ze woonde regelmatig de vergaderingen bij en hield er ook toespraken waarin ze enorm veel hartstocht voor de Revolutie uitte. Men trof haar regelmatig aan temidden van politieke kopstukken zoals Danton, Marat en Robespierre. Onder de arbeidersvrouwen had ze aanvankelijk veel respect. Théroigne viel snel na haar Amazone-actie in diskrediet bij de Conventie. Op een zeker moment stopte alle afgevaardigden massaal hun oren dicht wanneer zij het woord nam. Tenslotte ontnam men haar het recht van spreken in de Vergadering.  Niet snel daarna kreeg ze een publieke afranseling van een groep Jacobijnse arbeidersvrouwen. Als gevolg van deze ervaring werd ze krankzinnig. [17]  Op dramatische wijze beschreef Michelet haar val. Théroinge had volgens Michelet niet ingezien dat er een verschil was tussen de publieke rol en de gezinsrol van de vrouw. Dit was dus het trieste lot van een vrouw die uit haar rol was geschoten.

            Naast de economische malaise werden nu ook de eerste vrouwen naar het schavot geleid. Vanaf dit moment begon de loyaliteit van zowel de vrouw als de man te verdwijnen. Michelet stelde dat dit een breekpunt voor de gehele revolutie zou zijn geweest, want de eliminatie van vrouwen verstoorde de kern van het familieleven.[18]

De vrouw ging daarom uit onvrede weer de straat op. Deze keer niet omwille van de Revolutie, maar uit nostalgie naar de tijden van het Ancien Régime. Deze vrouwen noemde men de béates[19]. Deze vrouwen maakten met obstinate gebaren de openbare erediensten van de Conventie belachelijk. Niet alle vrouwen waren bereid de kerkelijke traditie de rug toe te keren. De republikeinen schilderden de kerk af als een niet verlicht en onderdrukkend instituut dat de geestelijke vooruitgang geenszins bevorderde. De kerk was hopeloos conservatief. Binnen de traditionele geschiedwetenschap was al snel een schuldvraag ontstaan over de verantwoordelijkheid van de Contra-Revolutie. Michelet zag vooral de vrouw en de priester als twee samenzweerders. De priester had de vrouw nodig om de Revolutie van binnenuit op te blazen. De vrouw speelde een grote en gelijkwaardige rol in de Contra-Revolutie, omdat zij haar traditionele gezinsleven wilden herstellen.

Wilde Michelet hiermee stellen dat de vrouw haar eigen kans tot  maatschappelijke vooruitgang had verspild? Niettemin erkende Michelet dat de vrouwen een zogenoemde heroïsche rol hadden gespeeld gedurende de hele Revolutie. De offerbereidheid was enorm. Zodra de vrouw echter merkte dat het familieleven ernstig in gevaar was gekomen, verdween de inzet voor de Revolutie en keerde zich om in een Contra-Revolutie.[20]

 

 

2.2 Een beperkte publieke rol

 

Michelet zou volgens Hufton de rol van de vrouw zowel in de Revolutie als de Contra-Revolutie sterk hebben overdreven. De rol die de vrouwen hadden gespeeld in de Oktoberrevolutie van 1789 was door Michelet teveel aangedikt. Michelet leek te vergeten dat hoewel deze actie massaal was, het gebeuren in essentie een ‘ordinaire’ voedseloproer was. Voedselrellen waren in de achttiende en zeventiende eeuw niet onbekend. Een tocht naar Versailles was niet uniek, want in 1708 was eveneens een groep vrouwen naar het paleis toegegaan vanwege de heersende honger in Parijs.[21] In de revolutionaire periode zouden voedselrellen waarin vrouwen de belangrijkste rol speelden, nog regelmatig voorkomen. In feite was het dus een bekend fenomeen dat vrouwen de straat opgingen als zij geen mogelijkheid meer zagen om eten voor hun man en kinderen op tafel te brengen. De vrouw had de verantwoordelijkheid over het huishouden en haar kinderen. In die rol voerde zij publieke acties. Een algemene beschuldiging van de mannen was dan ook dat alleen de lege maag de vrouw op straat bracht. Demonstreren voor de idealen van de Republiek zou bij de vrouw pas het tweede motief zijn geweest.[22]

 De Marchandes waren de eerste verenigde vrouwen, die verkopers plunderden als deze een té hoge prijs voor voedsel en brandstof vroegen. De later ontstane Enragés had een radicalere inslag. In tegenstelling tot de Marchandes droegen de Enragés het sans-culotte[23] embleem en de cocarde (algemeen hoofddeksel van de revolutionairen) als teken van trouw aan de nieuwe regering.[24] Beide actiegroepen bestonden uit voornamelijk arbeidersvrouwen. De vrouwen uit de middenklasse bleven met hun acties meer op de achtergrond. Als zij publieke acties voerden, traden ze veel bescheidener op. Ook al aspireerden sommige vrouwenvergadering politieke doeleinden, de publieke acties zijn nooit politiek geweest De aanleiding voor het steunen van de Conra-Revolutie probeerde Hufton daarom vanuit economisch oogpunt uit te leggen. De jaren tijdens de Conventie kende namelijk een opeenvolging van misoogsten. De door Robespierre ingestelde maximumprijs bleek geen langdurige oplossing te zijn voor de economische malaise. Tekorten bleven de inwoners van Parijs tarten. De vrouw had het buitengewoon zwaar. Hun mannen vochten aan het front waarvan velen nooit meer terugkeerden. Soldij en weduwegelden kwamen in het minst erge geval een aantal maanden te laat.[25] Als de vrouw een rol ging spelen in de Contra-Revolutie was dit vanuit een weloverwogen punt. Hufton was het daarom totaal niet eens met het statement dat de vrouw zich liet gebruiken door de kerk. In haar ogen nam men de vrouw simpelweg niet serieus. De uitleg van die tijd waarom de vrouw zich bij de Contra-Revolutie aansloot, barstte van de vooroordelen.[26] Bovendien was de vrouw niet de enige die onder het Schrikbewind had te lijden. De man leed evenzeer onder het Terreurbewind. Aan het front voerden ze een bloedige oorlog tegen de Reactionaire legers. Toen steeds meer soldaten begonnen te deserteren, kreeg de Conventie de genadeklap. De blijvende voorliefde van de vrouw voor kerk en traditie beschouwde Hufton evenmin als een realistisch argument. Nog nooit was de ontkerkelijking onder de vrouwen zo groot geweest. Ook na de revolutie bleef het aantal afvallige vrouwen stijgen.[27]

 

                       

Conclusie

 

Hetgeen Olwen Hufton  het meest tegen de borst stuitte was dat Michelet de taal en de daarin verweven mening van zijn mannelijke tijdgenoten en collega’s had overgenomen. Dit resulteerde in een historisch werk dat barstte van de vooroordelen. Met deze conclusie van Hufton ben ik het volmondig eens. Naar mijn mening was het heersende vrouwbeeld het grootste kwaad. Omdat de vrouw in de ogen van de man een apolitiek, irrationeel wezen was, kwam de emancipatie van de vrouw tijdens de Revolutionaire jaren niet tot stand. De moederrol bleef vooropstaan en werd zelfs des te meer verheerlijkt door de Conventie. Binnen haar gezin was haar positie. Ze hoorde nog steeds thuis en niet op de tribune van de Nationale Vergadering te zitten. Het historisch proces toonde wel aan dat de vrouw zich maar beter niet met de politiek bezig kon houden. Het lot van Théroigne de Méringcourt en Olympe de Gouges zou hiervan het bewijs moeten zijn. Zelfs de gehele val van de Republiek, als ik Michelet zou moeten geloven, zou door irrationele vrouwen zijn veroorzaakt. Binnen de historische wetenschap hoop je dat ook een man objectief kan schrijven over de historische vrouw. Ondanks het respect, dat Michelet duidelijk ten aanzien van de vrouw toonde, bewijst deze historicus van het eerste uur het tegendeel. Het lijkt me daarom niet toevallig dat de meeste specialisten in de vrouwenstudies vrouwen zijn.

            Heeft Hufton dan geheel gelijk? Haar sociaal-economische interpretatie vormde een grote informatieverrijking op de vraag waarom de positie en de rol van de vrouw niet verbeterden en waarom de Revolutie de emancipatie van de vrouw niet kon bewerkstelligen. Zij wees nadrukkelijk op de conservatieve opvattingen van de man omtrent de vrouw. In de typering dat elke vrouw een conservatieve contra-revolutionair was,  geloofde Hufton geenszins. Er bestaat echter meer dan alleen de economische interpretatie over de rol en de positie van de arme vrouw. Door die focus op de arbeidersklasse, mist ze weer het totaalbeeld van de Franse vrouw ten tijde van de Revolutie. De rol van de vrouw was meer dan alleen een economisch handelen, want wat was haar visie ten aanzien van de politiek en wat was haar ideologie? Hoe handelde het individu?

            Vooroordelen als belangrijkste argumenten tegen de emancipatie van de vrouw, zijn nog zo enorm actueel. Zij zijn door de eeuwen heen steeds weer veranderd of anders geformuleerd. Was het niet vanuit de kerk, dan was het wel vanuit de politiek. Het doel is mijns inziens hetzelfde gebleven. Ik heb het afgeleerd om snel lijnen door de geschiedenis te trekken, maar in dit opzicht ontkom ik niet aan het onderkennen van enige continuïteit. Zelfs na de moeizame tocht van de feministen naar een voor de wet gelijkwaardige positie, bleven de maatschappelijke vooroordelen bestaan. Daarbij komt nog dat in veel ontwikkelingslanden de vrouw nog voor haar wettelijke vrijheden moet strijden. Nog steeds kan een nieuwe houding van de man ten opzichte van de vrouw deze ontwikkeling naar meer gelijkwaardigheid flink versnellen.

 

 

 

 

 

 

Literatuur

 

Buikema, Rosemarie en Anneke Smelik ed., Vrouwenstudies in de cultuurwetenschappen (Muiderberg 1993).

 

Hufton, Olwen, H., Women and the limits of citizenship in the French Revolution

(1e druk; Toronto 1989).

 

Michelet, Jules,  Les femmes de la Révolution (2e druk; Parijs 1854).

 

Scott, Joan, Wallach, Only paradoxes to offer; French feminists and rights of man

 (Londen 1996).

 

www.tasc.ac.uk/histcourse/suffrage/coredool.htm (zie bijlage I).

 

 

.

 

 



[1] Buikema, Rosemarie en Anneke Smelik ed., Vrouwenstudies in de cultuurwetenschappen (Muiderberg 1993) 18-28.

 

[2] Jules Michelet, Les femmes de la Révolution (2e druk; Parijs 1854) 18.

[3] Michelet, Les femmes de la Révolution, 116.

[4] Ibidem, 112-114.

[5] Joan Wallach Scott, Only paradoxes to offer; French feminists and rights of man (Londen 1996) 162.

[6] Jules Michelet, Les femmes de la Révolution (2e druk; Parijs 1854) 88.

[7] Michelet, Les femmes de la Révolution, 75.

[8] Ibidem, 76.

[9] Olwen H.Hufton, Women and the limits of citizenship in the French Revolution(1e druk; Toronto 1989) 38.

[10] Joan Wallach Scott, Only paradoxes to offer; French feminists and rights of man (Londen 1996) 12.

[11] Olwen H. Hufton The prospect for her: a history of women in western Europe 1500-1800 I (Londen 1995) 466.

[12]Jules Michelet, Les femmes de la Révolution ( 2e druk; Parijs 1854) 20.

[13]  Olwen H. Hufton The prospect for her: a history of women in western Europe 1500-1800 I (Londen 1995) 33.

 

[14] Jules Michelet, Les femmes de la Révolution ( 2e druk; Parijs 1854) 23 en 56.

[15] Joan Wallach Scott, Only paradoxes to offer; French feminists and rights of man (Londen 1996) 162.

[16] Olwen H. Hufton, Women and the limits of citizenship in the French Revolution (1e druk: Toronto 1989) 23, Jules Michelet, Les femmes de la Révolution ( 2e druk; Parijs 1854) 125.

[17] www.tasc.ac.uk/histcourse/suffrage/coredool.htm (z.j.).

[18] Jules Michelet, Les femmes de la Révolution ( 2e druk; Parijs 1854) 312.

[19] Een combinatie van de Franse woorden  bête (beest) en béates (niet sprekend/stom).

[20] Michelet, Les femmes de la Révolution, 365.

[21] Olwen H. Hufton, Women and the limits of citizenship in the French Revolution (1e druk: Toronto 1989) 15.

[22]Hufton, Women and the limits of citizenship, 37-39.

[23] Een sans-culotte was een man die weigerde de aristocratische culotte (kniebroek) te dragen, die symbool stond voor het Ancien Régime.

[24] Ibidem, 36.

[25] Ibidem, 88.

[26] Ibidem, 100.

[27] Ibidem, 130.